Het was middernacht. Ik zat in mijn donkere woonkamer, mijn gezicht werd blauwig verlicht door het scherm van mijn laptop. Mijn schouders branden, ik voelde de pijn in mijn buik. Mijn twee poezen zaten naast elkaar op de grond en hielden mij al uren nauwlettend in de gaten. Honger. Stevige trek.
Ikzelf hield al uren mijn blik strak op het beeldscherm gericht, ik was bezig met een klein stukje tekst. Het wilde maar niet lukken.
Het moest beter en anders, steeds moest het beter of anders.
Soms zag ik mezelf daar ineens zitten en schudde ik mijn hoofd. Ik dacht aan ex-vriendin B. Zij kon uren turen naar de spiegel, voor we naar een feestje gingen. B. verscheen nerveus in de woonkamer met een donkerblauw satijnenjurkje. Of ze er mooi uitzag. Bij wijze van antwoord pakte ik haar bij haar billen en drukte mijn lijf gulzig tegen haar aan. Maar nadat B. aanvankelijk verguld was met mijn aandacht, liep ze toch snel weer naar de slaapkamer om in onvree iets anders aan te trekken. Een strakke spijkerbroek met een wit shirt leek haar beter. En rode hakken. En nadat ik haar op een zelfde manier had geantwoord, was ze toch nog niet tevreden. Ze stampvoette naar de woonkamer en trok weer iets anders aan. Haar stemming werd steeds chagrijniger en als ze het na anderhalf uur nog niet wist schreeuwde ze woest: ik ben gewoon een dik, lelijk wijf! Kut, kut, alles is kut.
Zo kon ik ook naar mijn tekst kijken.
Uiteindelijk vond ik een moment om te stoppen. Op het balkon rookte ik een sigaret.Ik probeerde kringetjes te blazen, vroeger kon ik dat. Waarom lukte het niet m’n verhaal te laten voor wat hij was? De wereld zou niet ten onder gaan als het epistel volslagen kut was.
Natuurlijk is een streven naar schoonheid en perfectie mooi. Dat wat je maakt mag mooi zijn, in balans zijn, precies de juiste afmetingen hebben en de boodschap mag zo helder mogelijk naar voren komen. Maar terwijl ik m’n rook richting de sterren blies dacht ik: wanneer slaat dit verlangen om in fanatisme? Waar verliest een kind dat een tekening maakt de heerlijke ijver met de tong uit de mond en waar begint het zenuwachtige.
Ik kan het onderscheid niet altijd maken, al doe ik mijn best. Ik weet dit: wanneer angst in het spel komt, alsof een woeste hond op je af stormt, dan is ’t mis. In die momenten kijk ik zorgvuldig om mij heen: is er een ziedende hond? Wordt mijn strot straks doorgebeten. Of ben ik veilig?
Toen ik terugkwam in de woonkamer zaten de katten mij inmiddels dreigend aan te staren. Ze konden me elk moment aanvliegen.
Ik besloot ze wat eten te geven. Daarna zag ik mijn tekst en besloot hem toch nog eens te verkleden.



