De Optimist stond op het plein in de regen en de wind en schreeuwde: ‘King of the world!’ Niemand reageerde, de mensen keken strak voor zich uit, met het hoofd tussen de schouders. Het was een moment van jewelste en de Optimist gloeide van trots. Hij was een bedrijf begonnen, hij had zich net officieel laten inschrijven, het bewijs, een A4’tje had hij in zijn handen. Hij keek naar het formulier en glimlachte breed. Hij had het net geregeld, keek nog eens om naar het gebouw waar hij een handtekening had gezet. De Optimist had een geweldig idee, liep daar al een tijd mee rond en nu ging hij het echt doen. ‘Yes! Het is gelukt. We gaan de wereld mooier maken!’ Weer reageerde niemand, maar dat deerde niets, want zo gaat het soms. Soms reageren de mensen niet en als volwassen persoon moest je daar tegen kunnen. De Optimist was daar flink druk mee, tegen dingen kunnen.
En toen, voor de Optimist er erg in had, griste de wind het papier uit zijn handen. Godsamme. Kut, kut, kut. Natuurlijk, hij kon zeshonderd van dit soort papieren laten printen, maar deze had hij gekregen van die meneer net. Hij ging er achteraan over het plein, het witte wonder waaide als met een noodgang richting de plas, draaide rondjes in de lucht – was dat om te treiteren, was het een dans, of had het papier een delirium – de Optimist rende zonder omkijken de weg over, zag een tram over het hoofd die agressief begon te bellen. De Optimist en de tram misten elkaar op een haar. De conducteur maakte woeste gebaren en wees naar zijn voorhoofd.
De Optimist zag de oorkonde van zijn prachtplan niet meer, hij keek op de natte straat naar links en naar rechts. Hij liep verder de boulevard op, direct naast de plas en daar zag hij het op de stenen liggen, direct aan het water, grote vierkante stenen met mos erop. Daar lag het. De Optimist twijfelde, moest hij het pakken? Waren de stenen glad? Hij had die dag zijn nette schoenen aangedaan, mooie zwarte schoenen. Hij keek naar het formulier en zette een stap op een van de stenen, de regen werd harder, er liep een druppel in zijn kraag. Hij ging door z’n hurken en zette nog een stap en reikte toen voorzichtig naar het formulier wat inmiddels helemaal nat was en de handtekening die hij er zelf op had gezet was een blauwe vlek. ‘Nee, een handtekening hoeft niet per se, hoor, maar als u een handtekening wil zetten, dan doet u dat vooral.’ Dat had de meneer binnen gezegd. De Optimist was een beetje geïrriteerd geraakt, hoe officieel en echt is een papier zonder handtekening? Hij strekte zich uit en had toen een hoekje van het papier vast en voorzichtig plukte hij het van de grote stenen. Hij bekeek het en alle trots was weg, alsof het was weggeblazen door de wind.
Daarna was hij een taartje gaan eten in een café in de stad. In het café was hij de enige gast. Alleen taartjes eten in een café is een van de meest verdrietige dingen, maar toch wilde de Optimist dit onder de knie krijgen. De Optimist haalde twee keer goed adem, werd langzaam warm en hij probeerde het gevoel van trots weer te pakken te krijgen. Het gevoel van trots en dat de wereld aan zijn voeten lag, want dat gevoel had hij die ochtend gehad. En ook toen hij het concept – dat vond hij al heel goed klinken ‘het concept’ – ontwikkelde voelde hij dat de wereld aan zijn voeten lag.
De Optimist wilde zich heel blij voelen, want hij was een bedrijf begonnen en daar hoorde een blij gevoel bij en dus zei hij een paar keer tegen zichzelf dat het ‘een fucking goed besluit was’ Ook later zei hij het tegen mensen op straat zei hij dat. ‘Het is een bijzondere dag! Ik heb een bedrijf! En mevrouw, u ziet er goed uit vandaag! Mijn oma had ook dat verzorgde, dat wit grijze haar!’ Deze ontmoetingen hielpen wel een beetje, maar het was de Optimist al vaker opgevallen dat feestelijke, bijzondere dagen niet altijd zo feestelijk voelden. Ook als er geen formulieren weg waaiden. Ook als het zonnig was, lente achtig, de bomen in het frisse groen van begin mei, ook dan. Zeker als je je er al te veel op verheugd had. Alsof het verheugen een beetje werd afgestraft. Alsof de voorpret eigenlijk altijd groter was. Alsof er voor de hele gebeurtenis een precieze hoeveel onversneden blijheid was, zeg maar vijftig kilo ofzo en dat het tellen al begon bij de voorpret. Soms had je dan voor de echte gebeurtenis nog maar wat flauwe kruimels onversneden blijheid over. Je dacht: ik zou me nu blij moeten voelen, maar dan was dat niet zo. En daarover kon je dan flink nijdig zijn en zelfs kon er dan een schuldgevoel aan je vreten, want nu had je eens iets leuks en dan was je niet blij. Dat was echt niet goed.
Hij had eens een documentaire gezien over een voetballer die de Champions League had gewonnen en die vertelde dat hij de dag erna somber wakker werd. De rest van de dag was hij ook somber. En bij het ontbijt had hij natuurlijk net als de rest gelachen en gezongen, dat zingen ging nog wel een paar dagen door. Ook bovenop de bus door de stad en maar zingen. De voetballer had gescoord in die finale en dat terugkijken dat hielp dan wel, het was een weergaloos doelpunt, hij was trots dan, als hij dat zag, maar het was hem verder opgevallen dat het winnen van die Champions League hem los daarvan niet veel gelukkiger had gemaakt.
De Optimist wist niet wat hij daarvan moest vinden. Het gaf hem rust, hoewel hij dat ook vreemd vond. Als zelfs het winnen van de Champions League hem niet dat gevoel van rust en kalmte bood, dan was dit misschien wel alles. Dan waren de gewone dagen misschien wel het leven. Het echte leven. Zovaak had hij het gevoel dat het echte leven nog moest beginnen, hoewel hij al bijna veertig jaar op deze aarde rondliep, nu was het allemaal nog behelpen, alleen, seksloos, met weinig applaus enzo, maar ooit zou het leven beginnen. Dan stonden ze langs de kant van de weg naar hem te glimlachen. ‘Heel goed gedaan!’ riepen de mensen en er zou een vrouw tussen staan, beeldschoon en die zou een wenkbrauw omhoog trekken en verder niet, maar die avond zou ze weer in beeld komen, in een restaurant ofzo. En dat was dan de eerste dag van de rest van zijn leven.
Maar misschien was het leven dus toch al begonnen. De Alocasia kreeg ik een nieuw blad, de serie op HBO was onwaarschijnlijk goed, buiten regende het tot aan het einde van de ochtend, op WhatsApp maakte iemand een serieus goede grap en dat was dan de dag. Er waren geen borden op de grond kapot gevallen, de boerenkool was best gelukt. En verder was alles saai en stil er was geen Champions League gewonnen.
Maar toch, dacht de Optimist, was deze dag een bijzondere dag, want hij was een nieuw avontuur begonnen en elk moment kon Fransje komen en dan zou hij vertellen wat voor bedrijf hij was begonnen. De lasagne in de oven rook goed. Hij stak een paar kaarsen aan.
Bij Fransje was het altijd een verrassing hoe ze zou reageren. De Optimist moest het in elk geval enthousiast en zelfverzekerd vertellen. Dat was belangrijk. Want hij zat op goud. Zoveel was zeker, zijn idee was top en heel goed voor de wereld, hij zou de wereld een betere plek maken. De Optimist had dit altijd gevoeld: hij was een speciaal iemand die de wereld een betere plek zou maken, er zat een amateur-Jezus in hem en misschien deed hij zichzelf hiermee zelfs tekort. Als je vaak genoeg een amateur-Jezus bent, dan ben je op een gegeven moment een echte prof, vallen en opstaan, niets ging vanzelf, maar doorzetten dat kon hij.
Fransje was lief, maar wisselde diepe compassie, glasheldere empathie, een stralend warm hart af met snoeiharde, meedogenloze kutopmerkingen. Niemand kon zo satanisch lachen als zij. En daarom had De Optimist tot nu toe altijd verteld dat het ‘salestrainingen’ waren voor professionals, dat klonk nuchter, dat paste bij Fransje.
‘Gozertje!!!! Lieve man!’ Fransje stond voor de deur te dansen. Ze snoof de geur in het huis op en zong ‘Lasagne, dat kan je, als geen ander!’
Fransje zette haar tas op de grond en ritste haar jas open. ‘Hug! Ik wil een hug!’
‘Ik wil ook een hug!’ riep de Optimist. Ze gaven elkaar een hug. De Optimist deed zijn ogen dicht, drukte Fransje even goed tegen zich aan. ‘Niet te snel loslaten, please.’
Even later zaten ze aan tafel. Met een stuk lasagne op de borden en een glas wijn omhoog zei Fransje: ‘Zo vertel. Wat voor bedrijf ben je gestart? Iets met die salestrainingen?’
De Optimist nam een slok. Hij knikte. Hij nam nog een slok. Fransje zei: ‘Ik ga niets kuts zeggen.’ ze nam nog een hapje. ‘Tering wat goed, dit.’
‘Oké…’ zei de Optimist nu luid. Hij trommelde met zijn vingers op de tafel. ‘Ik ben vandaag officieel begonnen als complimentenconsulent.’
‘Complimentenconsulent?’
‘Yesss. Complimentenconsulent!’
‘Wow.’ zei Fransje. ‘In ieder geval origineel.’
‘Ik ben de complimentenkid. Want ieder mens heeft iets moois in zich.’ Dat wordt de pay off: ‘Want ieder mens heeft iets moois in zich!’
‘Dat is de pay off?’
‘Ja.’
‘Ok… En je noemt jezelf ‘compimentenkid?’
‘Ja. Want, een knipoog is ook belangrijk snap je? Je moet nu iets enthousiasts zeggen.’
‘Tuurlijk. Ik vind het heel origineel! Oh, wacht, dat zei ik al.’
‘Is dat alles?’
‘Ik moet het even laten landen.’
‘Complimentenconsulent.’ De Optimist was enorm bereid om even te helpen met het laten landen en herhaling werkt. En hij wist: dit hoort erbij. Dit is het werk. Dit is het leven. Mensen overtuigen en inspireren. Dit kon gebeuren, daar was helemaal niets vreemds aan. De mensen zouden niet allemaal meteen op de banken gaan staan. Dat deden ze bij Leonardo diCaprio ook niet. Hij wist niet goed waar die vergelijking vandaan kwam. maar soit.
‘Doe niet zo onzeker, gast. Je hebt dit bedacht, je hebt je ingeschreven, ga er voor.’
‘Ja, maar…’ de Optimist zuchtte.
‘Die lasagne, gast, die is zo goed.’
‘Dank je. Nou, ok. Ik ga gewoon verder vertellen. Want daar moet ik mee oefenen. Met dat ik vertel over mijn bedrijf. Complimentenconsulent dus. En ik noem mezelf ‘Complimentenkid.’ Supergrappig verzonnen. Vind ik zelf. En daar gaat het om. Dat zei David Bowie, je moet het voor jezelf maken. Ik heb dus een heel slimme en toffe prijs bedacht voor bedrijven. De Complimenten-Kees of -Karin van de maand. Dat is goed. Dat is positief. Mensen willen gezien worden. Mensen willen waardering. Daar is dit hele concept op gebaseerd.
Fransje schoot in de lach. ‘Complimenten Kees of Karin van de maand? Dat is grappig! Hilarisch!’
‘Jij noemt het grappig, ik noem het goed. Ik ga de hele complimentencultuur binnen bedrijven optimaliseren.’
Fransje zocht naar woorden. ‘Het is echt goed dat je blijft proberen met het verzinnen van ideeën. En… door eerst heel veel bagger te verzinnen kom je op een goed moment bij dat klompje goud uit.’
‘En dit is het klompje goud toch?’
Fransje nam nog een slok van de wijn. Ze wees naar de lasagne. ‘Nog klein stukje ok?’
‘Wil je nog een keer zeggen hoe goed je de lasagne vindt?’
‘Ik vind de lasagne focking lekker.’
‘Nou, kijk… het effect van dit compliment op mij is dus dat ik me heel zeker voel, over de lasagne. Dat is het effect van complimenten.’
‘Ja, maar weet je: als ik aan jou denk, dan denk ik niet per se aan een complimenteus persoon. Wat ik zo leuk vindt aan ons is dat wij de mensen zo gezellig kunnen haten. Zo enthousiast, zo vol overgave. Je liet mij eens zien dat iemand op dat LinkedIn het had over ‘iedereen is goud’. En dat vonden we allebei zo heerlijk kut. ‘Iedereen is goud!’ Wat was dat voor debiel wijf die dat zei, godsamme. Dat samen haten blijven we wel doen toch?’
De Optimist was even stil. Hij keek naar een kaars.
Hij knikte. ‘Ja, laten we wel blijven haten. Maar als bedrijfsidee is het goed. Want bedrijven willen dit. Die willen zo’n prijs. Die willen dat mensen complimenten geven… En weet je: als het oprecht gemeend is, dan is het ook echt goed.’
Fransje zei: ‘Kom dan krijg je nog een hug van me. Die heb je wel verdiend.’
De Optimist schudde zijn hoofd. En het schudden werd driftig en steeds driftiger. Hij bleef zitten, terwijl Fransje met haar armen open naast de tafel stond.
Hij zei, terwijl het vuur uit zijn ogen spoot. ‘Nee. Ik wil geen hug. Ik wil iemand die zegt dat dit een goed plan is. Ik wil iemand die dat zegt en met name wil ik dat jij dat zegt. Ik ben de complimentenkoning. En iedereen mag dat belachelijk vinden. Morgen heb ik een opdracht.’

No comment yet, add your voice below!