De Optimist is een man die wild enthousiast zoekt naar de grote liefde. Ondertussen doet hij vrijwilligerswerk.

 

In het bejaardentehuis keek de verpleegkundige De Optimist ernstig aan. Wat was er? De Optimist schrok. Hadden ze hier gehoord van afgelopen nacht? Van Clarissa, de friettent en wat hij had gezegd?

‘Hoi,’ zei De Optimist. Hij keek afwachtend naar de verpleegkundige in haar witte jas en witte klompen. Ze heette Sandy, sommige mensen hadden de perfecte naam: deze vrouw was een Sandy.

‘Het gaat niet goed met Peter,’ zei ze.

Peter was een van de bewoners, een man die zomaar driftig kon worden, zomaar kon uitvallen als iets niet lukte. Eens had hij een eitje gekookt op zijn kamer – hij was een van de weinigen met een keukentje – en toen was het eitje mislukt. Het eigeel was nog zacht en hij had het bord met het slappe eitje de kamer in gesmeten, rakelings langs het hoofd van De Optimist. Later zou hij met moeite zijn excuses aanbieden. ‘Ik had niet moeten gooien, maar jij had daar niet moeten staan.’

‘Maar je vroeg me langs te komen!’

‘Ja, maar je had ergens anders moeten staan. Waar ik niet zou gooien.’

‘Hoe weet ik waar jij gaat gooien? Hoe weet ik dat je überhaupt gáát gooien? Moet ik je volgende keer vragen waar je met iets gaat gooien? Is dat het?’

‘Ja! Hahaha. Doe dat maar.’

‘En moet ik dan misschien een helm op? Gewoon standaard als ik bij je op bezoek kom?’

‘Zeker! Ja! Een helm. Wat een goed idee. Oh, ik vind dit Coldplay goed trouwens. Echt, ja, dat heb je goed gedaan.’

De week ervoor had De Optimist Coldplay en Oasis laten horen aan Peter. Peter kende alleen The Who en Rolling Stones. ‘En de Beatles hadden natuurlijk ook wel wat, een paar goede nummers zaten er wel tussen.’ Peter noemde zichzelf een oude rocker.

‘Ken je ook rockmuziek van nu? Radiohead ofzo? Of Coldplay?’

‘Nee, dat ken ik niet.’ Peter draaide nog een shagje. De Optimist had een cd gemaakt voor hem.

Sandy zuchtte. ‘Hij heeft zo’n pijn aan zijn piemel. En het is er dik. Ziet er niet goed uit.’

‘Aan z’n piemel, of aan z’n ballen?’ vroeg De Optimist.

‘Ja, dat weet ik niet precies. Sorry.’

De Optimist was brak. Hij had nauwelijks geslapen die nacht. Hij was zelf op de bank gaan liggen, Clarissa in zijn bed. Toen hij wakker was geworden was Clarissa weg. Hij had een uitgebreid ontbijt bedacht om te maken, met extra veel spek. Je doet wat je kan. Maar helaas. Geen briefje, geen woord, niets. Hij begreep het.

Eigenlijk zou hij al zijn vrienden, maar ook de mensen hier, bij het bejaardencentrum moeten vertellen wat hij gedaan had. Dan zou iedereen het weten. Dan kon iedereen zeggen dat hij een zak was. Dan zouden alle mensen in koor zeggen: ‘Je bent een zak, want het gaat niet om het uiterlijk.’

Ze zouden het in koor zeggen, ze zouden allemaal naar hem toe komen, en groupe. ‘Het gaat NIET om het uiterlijk! Was ze lief? Daar gaat het om!’ Ze zouden het schreeuwen, ze zouden naar hem wijzen, de vinger in zijn borst prikken, en zeker iemand zou hem keihard in z’n gezicht slaan. Maar wie? Fransje sowieso. Fransje zou echt krijsen: ‘Het gaat niet om het uiterlijk!!’ Ze zou rood aanlopen, ontploffen misschien wel, haar hoofd eerst en dan de rest van haar lijf.

De Optimist liep naar Peter. Hij klopte zacht op de deur die op een kier stond. ‘Peter, ik ben het.’

Peter lag in bed. Hij had zijn ogen dicht. De Optimist ging ernaast zitten. Peter had een oud, vlekkerig gezicht, wit rommelig haar. Hij rook naar sigaretten. Hij had vroeger heroïne gebruikt, twee jaar lang, en als een kat met zeven levens was hij eraan weten te ontsnappen. ‘Ik woonde nog een tijdje in een huis zonder gas en licht. Koud, zo koud, ik heb het nog nooit zo koud gehad.’

Peters borst ging langzaam op en neer. Hij had zichzelf kort geleden nog geschoren, slordig als altijd. Zijn ogen waren niet goed; hij deed het op de gok. Er zaten op z’n kin nog wat sprieten haar en verder was het glas geschoren.

‘Wat is er, man? Wat is er met je, oude rocker?’

Peter deed met moeite zijn ogen open. ‘Ha, daar is de specialist,’ zei hij zacht. ‘Je zou toch niet komen vandaag?’

‘Hoezo niet?’

‘Dacht ik.’

‘Nee, hoor, ik ben er gewoon.’

‘Wat een verrassing.’ Peter had zijn ogen alweer dicht gedaan. ‘Ik heb pijn. Het doet zeer, het doet zó zeer.’

‘Heb je paracetamol gehad?’

‘Ja, wel twee doosjes.’

Het was even stil.

‘Zet je dat Radiohead even op?’

‘Ja, is goed.’ De Optimist zette No Surprises op.

‘Dit is een mooi lied,’ zei Peter.

‘Ja, dit is een mooi lied,’ zei De Optimist.

Peter deed zijn hand een beetje omhoog en wuifde met de muziek mee. Hij neuriede wat.

‘Dit is een mooi lied.’

Op de muur hing een foto van Peter en De Optimist in een bootje. Hoogzomer. Peter vond het een avontuur van jewelste. ‘Dit is geweldig man! Over de Amstel,’ had hij gezegd.

‘We hebben korting gekregen, ik had gezegd dat ik vrijwilligster ben.’

‘Vrijwilligster, haha. Je bent een sjacheraar. Je zou op de markt moeten werken.’

Peter was gestopt met wuiven.

‘Ik moet naar het ziekenhuis.’

‘Ja. Dat is het beste, denk ik. Daar hebben ze verstand van zaken.’

‘Nu kan ik misschien nooit meer ei naar je gooien.’

‘Dat is doodzonde, dat is echt jammer. Dat waren altijd de hoogtepunten in mijn week, man. Op woensdag keek ik al uit naar het weekend, dat je met eieren naar mijn hoofd zou gooien.’

Peter glimlachte.

‘Ik wil dat jij meegaat naar het ziekenhuis.’

‘Oh?’

‘Wil je niet?’

‘Jawel, ik ben verrast dat je mij vraagt, maar ik ga graag mee.’

Ondertussen voelde De Optimist de mobiel in zijn broek trillen. Clarissa of Fransje. Kon niet missen. Die hadden elkaar natuurlijk gesproken. Was hij naast Clarissa ook Fransje kwijt?

‘Het is echt fijn als je meegaat. Morgenmiddag is het, maar dat weet de zuster.’ Peter deed zijn ogen open.

‘Ik denk dat ik doodga.’

‘En vind je dat erg?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Waarom denk je dat je doodgaat?’

‘Weet ik ook niet. Wij hebben het wel leuk gehad. We hebben nog samen het Senseo-apparaat gehaald. Toen er sneeuw lag.’

‘Ja. En jij vond de Senseo lekker.’

‘Ja, zeker.’ Peters stem werd zachter. ‘Uitstekende koffie.’ Zijn ogen gingen weer open en keken naar De Optimist.

‘Dat je hier zomaar komt voor die oude mensen, dat vind ik bijzonder.’

‘Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten, Peter.’

Peter moest lachen. ‘Au, au. Geen grapjes maken, dat doet zeer.’

De Optimist glimlachte. Hij voelde in z’n broek zijn mobiel trillen.

No comment yet, add your voice below!


Add a Comment

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Comment *
Name *
Email *
Website


Veel gelezen blogs:

Hier tekst.